Februari 2018

Inleiding

De wijze van benoeming en ontslag van de leden van het verantwoordingsorgaan (VO) is een actueel onderwerp. Onlangs werden hierover nog Kamervragen gesteld. Het ging daarbij om een casus waarin het bestuur van een ondernemingspensioenfonds de VO-leden ontslagen had met de vraag of dat toegestaan was. Is deze casus een bijzonder geval of komt dit vaker voor? En wat zegt de wet over de benoeming en het ontslag van VO-leden?

In dit artikel gaan wij nader in op het hiervoor geldend formeel kader en geven wij antwoord op de vraag wat er binnen dit kader voor ruimte is voor een ‘eigen’ invulling.

Formeel kader

Samenstelling VO

In het VO zijn de deelnemers en de pensioengerechtigden evenredig op basis van onderlinge getalsverhoudingen vertegenwoordigd. Bij een algemeen pensioenfonds (apf) wordt dit beoordeeld aan de hand van de onderlinge getalsverhoudingen binnen de collectiviteitkring waarvoor het VO is ingesteld. Verder moeten de leden van het VO een zo evenwichtig mogelijke afspiegeling vormen van de betreffende geleding die zij vertegenwoordigen. Het bestuur kan criteria vaststellen op grond waarvan ook één of meer vertegenwoordigers van gewezen deelnemers in het VO zitting hebben.

De werkgever kan vertegenwoordigd zijn in het VO, indien de werkgever of de deelnemers en pensioengerechtigden dit wensen.

Benoeming VO-leden

Voor de wijze van benoeming van VO-leden zijn de Pensioenwet en de Code Pensioenfondsen relevant.

Pensioenwet
De Pensioenwet formuleert geen voorschriften voor de wijze waarop werkgeversleden in het VO worden benoemd.
De Pensioenwet maakt bij de benoeming van VO-leden namens de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden onderscheid tussen:
a. verkiezing van deze VO-leden door de betreffende geleding, en
b. 
benoeming van deze VO-leden door verenigingen.

Een pensioenfondsbestuur heeft in beginsel de keuze om verkiezing of benoeming door verenigingen. In beginsel want in sommige hierna beschreven situaties is verkiezing verplicht en bestaat deze keuze dus niet.

a. Verkiezing

Volgens artikel 105 lid 8 van de Pensioenwet is het bestuur van een pensioenfonds in specifieke situaties verplicht om over te gaan tot verkiezing van de VO-leden die de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden vertegenwoordigen. Dit is het geval indien:

  • ten minste 1% van de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden hierom verzoekt, of
  • ten minste 500 deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden hierom verzoeken.

Maar het bestuur kan er ook zelf voor kiezen dat deze VO-leden worden verkozen. Vervolgens dient de vraag zich aan wie kandidaten kan voordragen voor de verkiezing van VO-leden. Volgens artikel 115 lid 5 van de Pensioenwet ligt die bevoegdheid bij verenigingen en bij individuele deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden. Wel moeten deze verenigingen volledige rechtsbevoegdheid hebben en hun statutaire doel dient mede te omvatten, het behartigen van de belangen van haar leden als belanghebbenden bij een pensioenfonds.

We zien in de praktijk dat sommige fondsen voor het verkiesbaar mogen stellen van kandidaten eisen stellen. Deze eisen kunnen liggen op het vlak van deskundigheid (dat wil zeggen dat een kandidaat eerst getoetst mag worden op deskundigheid).

b. Benoeming door verenigingen

Voor zover geen verkiezing plaatsvindt door de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden, dan worden de leden in het VO benoemd door verenigingen (artikel 115 lid 6 van de Pensioenwet). Deze verenigingen moeten (net als in geval van voordracht bij verkiezing) volledige rechtsbevoegdheid hebben en hun statutaire doel dient mede te omvatten het behartigen van de belangen van haar leden als belanghebbenden bij een pensioenfonds.

Code Pensioenfondsen
De Code Pensioenfondsen (norm 45, eerste zin) bepaalt dat benoeming wordt uitgevoerd door belanghebbenden, zo mogelijk door het orgaan zelf, met betrokkenheid van een ander orgaan van het pensioenfonds. Vervolgens wordt verderop in norm 45 expliciet uitgewerkt hoe bestuursleden, leden van de raad van toezicht en de visitatiecommissie worden benoemd. Die uitwerking is echter niet opgenomen voor de leden van het VO. Hoewel deze uitwerking ontbreekt en uit de Handreiking Code Pensioenfondsen evenmin duidelijk wordt of deze eerste zin van norm 45 ook betrekking heeft op het VO, nemen wij aan dat dit wel de bedoeling is[1]. Norm 45 vertaald naar het VO betekent met deze lezing dat de VO-leden worden benoemd door de belanghebbenden of zo mogelijk het VO zelf, met betrokkenheid van het bestuur, de raad van toezicht of de visitatiecommissie. Die betrokkenheid van het bestuur, de raad van toezicht of de visitatiecommissie kan de volgende vormen aannemen:

  • recht van (bindend) advies,
  • raadpleging (in of na overleg),
  • hoorrecht, of
  • instemmingsrecht

Ontslag VO-leden

Pensioenwet
De Pensioenwet bevat geen expliciete bepaling over welk pensioenfondsorgaan of andere partij de leden van het VO kan ontslaan. Wel geldt op grond van artikel 108 van de Pensioenwet dat een werkgever de arbeidsovereenkomst met een werknemer die lid is van een VO van een pensioenfonds niet kan opzeggen, tenzij sprake is van een dringende reden, van wederzijdse instemming, gedurende de proeftijd, of bij beëindiging van de werkzaamheden binnen de onderneming waarin de werknemer uitsluitend of in hoofdzaak werkzaam is.

Code Pensioenfondsen
De eerste zin van norm 45 van de Code Pensioenfondsen bepaalt net als bij benoeming dat ook het ontslag wordt uitgevoerd door belanghebbenden, zo mogelijk door het orgaan zelf, met betrokkenheid van een ander orgaan van het pensioenfonds.

Als we dezelfde systematiek toepassen als bij de benoeming van VO-leden, dan kunnen de VO-leden worden ontslagen door de belanghebbenden of zo mogelijk door het VO zelf met betrokkenheid van het bestuur, de raad van toezicht of de visitatiecommissie. Ook hier geldt dat deze betrokkenheid zich kan uiten in:

  • recht van (bindend) advies,
  • raadpleging (in of na overleg),
  • hoorrecht, of
  • instemmingsrecht

Bij de afwezigheid van verdere wettelijke eisen omtrent ontslag van VO-leden, geldt dit ook in geval van verkozen VO-leden.

Ruimte voor eigen invulling?

De Pensioenwet (artikel 111 lid 1 sub j.) eist dat de wijze waarop de leden van het verantwoordingsorgaan worden benoemd en ontslagen moet worden vastgelegd in de statuten.

Hebben pensioenfondsen ruimte voor eigen invulling ten aanzien van de benoeming en/of het ontslag van de leden van het VO? Het antwoord hierop is: ‘ja, in zekere mate’. De ruimte voor eigen invulling geldt dan voor die elementen die niet volledig geregeld zijn in de Pensioenwet. Zoals eerder aangegeven gaat het dan om:

  • wie de leden van het VO benoemt in geval van verkiezing.
  • wie de werkgeversleden in het VO benoemt.
  • wie de leden van het VO kan ontslaan.

Wat norm 45 van de Code Pensioenfondsen betreft, geldt dat hiervan gemotiveerd kan worden afgeweken (‘pas-toe-of-leg-uit’-beginsel) in het jaarverslag. Deze norm kan dan ook gezien worden als richtlijn en niet als dwingende regelgeving.

In de praktijk zien wij dat pensioenfondsen op verschillende wijzen invulling geven aan de bovengenoemde elementen. De meest gekozen invullingen zijn:

  • benoeming en ontslag van gekozen VO-leden gebeurt door het bestuur, zonder betrokkenheid van een ander fondsorgaan;
  • benoeming en ontslag van gekozen VO-leden gebeurt door het VO zelf, zonder betrokkenheid van een ander fondsorgaan;
  • benoeming en ontslag van VO-leden namens de deelnemers en gewezen deelnemers en in sommige gevallen ook de pensioengerechtigden gebeurt door verenigingen, zonder betrokkenheid van een ander fondsorgaan;
  • werkgeversleden in het VO worden benoemd en ontslagen door het bestuur of door de aangesloten werkgever(s) of de betrokken werkgeversvereniging(en), zonder betrokkenheid van een ander orgaan.

Kijkend naar deze invullingen wordt naar onze mening geen invulling gegeven aan norm 45 van de Code Pensioenfondsen en specifiek aan de daarin vervatte norm dat waar mogelijk een ander orgaan is betrokken (in een in de Code niet nader uitgewerkte rol). Dit geldt ook bij de benoeming en het ontslag van VO-leden door verenigingen. Kijkend naar deze praktijk, lijkt het erop dat de sector in de praktijk van oordeel is dat voor de laatste schakel, het verantwoordingsorgaan, de extra waarborg van de betrokkenheid van een ander orgaan niet passend of niet nodig is.

De recente nalevingsrapportage 2016/2017 van de Monitoringscommissie Code Pensioenfondsen besteedt geen specifieke aandacht aan deze norm 45. Wel vraagt de Monitoringscommissie specifiek aandacht voor diversiteit en verantwoording. Het, op enigerlei passende wijze, betrekken van bestuur of intern toezicht bij benoeming en ontslag van de leden van het verantwoordingsorgaan kan daar mogelijk een rol bij spelen.

[1] Minister Koolmees bevestigt dit in zijn brief van 1 februari 2018 (kenmerk 2018-0000009014) naar aanleiding van Kamervragen over een ontslagcasus van VO-leden bij een ondernemingspensioenfonds.
Print deze post
Dit artikel delen: