Veel pensioenfondsbesturen overwegen de opgebouwde pensioenaanspraken over te dragen naar een ander pensioenfonds, zijnde een bedrijfstakpensioenfonds (BPF) of een gezamenlijke kring van een algemeen pensioenfonds (APF). Soms leidt de zoektocht naar een nieuwe pensioenuitvoerder naar een pensioenfonds dat, gemeten naar de dekkingsgraad, armer is. De collectieve waardeoverdracht van alle aanspraken naar deze nieuwe pensioenuitvoerder is relatief eenvoudig doordat er geld overblijft. Toch blijven er genoeg belangrijke aandachtspunten over die we in dit artikel voor u op een rijtje zetten.

In dit artikel gaan we uit van het volgende voorbeeld.

Pensioenfonds A heeft een voorziening van ongeveer 100 mln euro, 110 mln euro aan bezittingen en daardoor een dekkingsgraad van 110%. Pensioenfonds A wil de aanspraken overdragen naar Pensioenfonds B.

Pensioenfonds B is veel groter maar niet rijker. De voorziening van Pensioenfonds B is 1.000 mln euro met een dekkingsgraad van 105%. Als de grondslagen van de fondsen vergelijkbaar zijn, zal Pensioenfons B een koopsom van 105 mln euro (100 mln maal 105%) vragen voor de overname van de aanspraken. Er blijft daardoor 5 mln euro als liquidatiesaldo over. Wat te doen met dit liquidatiesaldo?

Een overschot aan liquidatiesaldo kan als volgt verdeeld worden:

  • Verhogen van de aanspraken
  • Storten in een indexatiepot
  • Onvoorwaardelijke indexatie

Optie 1: verhogen aanspraken

De eerste mogelijkheid is het verhogen van alle aanspraken met 4,76% waardoor de voorziening stijgt naar 104,76 en de dekkingsgraad (110/104,76) uitkomt op 105%. Pensioenfonds B zal nu 110 mln euro (104,76 mln maal 105%) vragen als koopsom en er resteert een liquidatiesaldo van nul. Dit lijkt heel eenvoudig maar “the devil is in the detail”:

  • Zo’n verhoging met een kleine 5% mag alleen als in het verleden indexaties zijn gemist. In dat geval mag de 5% als inhaalindexatie worden opgevoerd.[1] Als in het verleden onvoldoende indexaties zijn gemist waardoor de cumulatieve indexatieachterstand minder dan 5% bedraagt, wordt het lastiger omdat fiscale bovenmatigheid dreigt. Ook als de regeling op andere onderdelen ruim binnen de fiscale kaders blijft (bijvoorbeeld door een lager opbouwpercentage), mag er niet zo maar te veel inhaalindexatie worden gegeven. Soms kan nog wel enige extra ruimte worden gecreëerd door uit te gaan een hogere index, bijvoorbeeld overgaan van prijsinflatie naar looninflatie.
  • Strikt genomen moet op persoonlijk niveau worden getoetst of er echt sprake is van indexatieachterstand. Misschien zijn er deelnemers die nog maar kort bij het pensioenfonds pensioen opbouwen en daardoor slechts 1% indexatieachterstand hebben. Deze deelnemers zouden dan niet de normale 4,76% verhoging mogen krijgen. In de praktijk zien we dat met dit punt op een pragmatische manier wordt omgegaan.

Optie 2: storten in indexatiepot

Een tweede mogelijkheid is het storten van het liquidatiesaldo in een indexatiedepot bij Pensioenfonds B. Pensioenfonds B kan vervolgens hieruit een aanvullende indexatie voor alle (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden van Pensioenfonds A financieren. Voor deze aanvullende indexatie gelden niet de eisen van toekomst bestendig indexeren (TBI). Ook als de dekkingsgraad laag is, maar tenminste wel gelijk aan het niveau van het minimaal vereist eigen vermogen, kan Pensioenfonds B uit dit depot een aanvullende indexatie financieren terwijl de normale indexatie niet is toegestaan. Aandachtspunt is wel dat de middelen in het depot kunnen “verdampen” als Pensioenfonds B de aanspraken moet korten in verband met een tekortpositie. Dan worden de middelen onderdeel van de vrije reserve van Pensioenfonds B om de korting te voorkomen of te mitigeren. In de markt wordt soms wel gesteld dat het depot zou kunnen “herleven” als de dekkingsgraad van Pensioenfonds B later weer stijgt. Of dit mag en op welk moment is echter nog onduidelijk.  Omdat het gaat om toekomstige indexaties behoeft niet, op individueel niveau, te worden nagegaan of er voldoende inhaalruimte is.

Optie 3: onvoorwaardelijke indexatie

De derde mogelijkheid is het inkopen van een onvoorwaardelijke indexatie bij Pensioenfonds B. Naast de nominale aanspraken wordt gelijk voor alle (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden een onvoorwaardelijke indexatie ingekocht. In ons voorbeeld: de aanspraken gaan bijvoorbeeld 4 jaar lang elk jaar met iets meer dan 1% omhoog. Omdat het gaat om toekomstige indexaties behoeft niet, op individueel niveau, te worden nagegaan of er voldoende inhaalruimte is.

Deze onvoorwaardelijke indexatie is niet afhankelijk van de normale voorwaardelijke indexatie van Pensioenfonds B. Het is zelfs denkbaar dat de voormalige (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden een normale voorwaardelijke indexatie van Pensioenfonds B bovenop de ingekochte onvoorwaardelijke indexatie krijgen. Aandachtspunt is dan wel dat de som van deze twee indexaties niet te hoog mag worden in de ogen van de fiscus. Met de beperkte mogelijkheden van fondsen om te kunnen indexeren lijkt de kans op bovenmatigheid van de indexatie voorlopig beperkt.

Voordeel van direct inkopen van een onvoorwaardelijke indexatie is het veilig stellen van het overschot aan middelen bij Pensioenfonds A. Bij een indexatiedepot wordt het overschot van Pensioenfonds A bij de algemene middelen van Pensioenfonds B getrokken als er een korting van aanspraken dreigt. Een ingekochte onvoorwaardelijke indexatie gaat maar in beperkte mate verloren als de aanspraken worden gekort. Als voorbeeld: stel de onvoorwaardelijke indexatie is een jaarlijkse indexatie van 1% gedurende 4 jaar en de korting van alle aanspraken is 5%. Dan wordt de indexatie van 1% verlaagd naar 0.95%. Altijd beter dan het volledig kwijt raken van het indexatie

Tot slot

Alle drie de opties hebben haar voor- en nadelen. Afhankelijk van de situatie van het fonds (is e bijvoorbeeld gekort in het verleden) wordt vaak een keuze gemaakt. Kijkend naar de voor- en nadelen van de drie mogelijkheden en geen rekening houdend met specifieke afwegingen van het fonds lijkt inkoop van onvoorwaardelijke indexaties de minste nadelen te hebben. Ze heefthet de minst praktische problemen en kan het liquidatieoverschot direct besteeds worden.

December 2017

René den Hertog AAG

[1] De normale indexaties van een fonds dienen te passen binnen de kaders van het toekomst bestendig indexeren (TBI). Bij een waardeoverdracht gevolgd door een liquidatie zijn deze kaders niet bindend. Bij een dekkingsgraad van 110% mag een fonds volgens de TBI regels niet indexeren maar bij een liquidatie mag dat wel.

Heeft u vragen over dit artikel? Neem contact op met René van Dongen via rene.den.hertog@montae.nl of 06 203 747 24

Print deze post
Dit artikel delen: