Hoe gaat ons pensioen er na de verkiezingen uitzien?

In de afgelopen weken hebben alle landelijke partijen hun conceptverkiezingsprogramma’s bekendgemaakt voor de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart 2017. De standpunten over pensioen laten zien dat in de komende kabinetsperiode ingrijpende wijzigingen in het pensioenstelsel mogelijk zijn, afhankelijk van de coalitie die tot stand komt. Wat zijn de opvallendste overeenkomsten en verschillen tussen de pensioenplannen van de partijen voor de komende kabinetsperiode (2017-2021)? Welke voorstellen lijken bij de verkiezingen op de meeste steun te kunnen rekenen?

AOW

Iedereen is het erover eens dat de inkomenspositie van ouderen zonder of met weinig aanvullend pensioen onder druk is komen te staan, mede door het uitblijven van indexaties. De meeste partijen doen voorstellen om hier iets aan te doen, variërend van meer AOW (linkse partijen en 50PLUS) tot compensatie (CDA, SGP) en een gerichte belastingverlaging (VVD). 50PLUS wil bovendien ongunstige fiscale wijzigingen voor AOW-ers voorkomen.

AOW-leeftijd

In 2012 besloot het kabinet-Rutte om de AOW-leeftijd te verhogen tot 66 jaar in 2018 en 67 jaar in 2021.Vanaf 2022 is er een koppeling aan de levensverwachting. Dit automatisme is deze maand volop in het nieuws geweest, nu dit de AOW-leeftijd in 2022 direct al op 67 jaar en 3 maanden brengt. Uit de conceptprogramma’s blijkt dat vrijwel alle partijen dit beleid (impliciet) steunen. Alleen PVV en 50PLUS willen de AOW-leeftijd weer op 65 brengen. Een meerderheid (PvdA, SP, D66 en PvdD) ziet juist meer in flexibilisering van de AOW-leeftijd om ouderen de gelegenheid te geven zelf hun ingangsmoment te kiezen. Eerder stoppen levert een actuariële korting op, later een bonus. Ook de VVD is voor flexibilisering maar louter opwaarts. De plannen voor een flexibele AOW lijken deze kabinetsperiode zelfs al kansrijk, nu op dit moment in het parlement een initiatiefwet (wetsvoorstel-Klein) in behandeling is.

 

De actuele pensioendiscussie

Sinds 2014 zijn pensioenmaatregelen elkaar in snel tempo opgevolgd. Het Witteveenkader, netto pensioen en (nieuw) Financieel Toetsingskader (nFTK) zijn begrippen geworden in de tweede pijler. Toch blijft het huidige systeem door de aanhoudende lage rente en de vergrijzing op lange termijn onhoudbaar. Bovendien is het onvoldoende in staat om een antwoord te vinden op de arbeidsmarkt van de 21e eeuw (groeiend aantal zzp-ers en flexwerkers) en op de behoefte aan meer individuele keuzevrijheid in pensioen. Om adequaat in te spelen op de wensen van deze tijd en alle werkenden een toereikend en houdbaar pensioen op te laten bouwen, zijn nieuwe oplossingen noodzakelijk. Deze laten zich globaal splitsen in vier richtingen:

  1. Aanpassingen in het fiscaal kader
  2. Meer keuzevrijheid in zowel de opbouw- als de uitkeringsfase
  3. Invoering van een compleet nieuw systeem
  4. Maatregelen om de pensioenvoorziening voor zelfstandigen te verbeteren

We gaan hier verder in op deze 4 oplossingsrichtingen.

Fiscaal kader werknemerspensioenen

Op dit moment bedraagt de fiscaal maximale opbouw in een middelloonregeling 1,875% per jaar tot een inkomen van € 101.519. Zowel de PvdA als D66 willen de grens voor verplicht pensioensparen verlagen. De PvdA zet hierbij in op facultatieve pensioenopbouw voor het stuk inkomen tussen twee keer modaal (in 2016 ongeveer € 73.000) en de huidige netto pensioengrens. Bovendien wensen de sociaaldemocraten de franchise (nu: minimaal € 12.952) te verlagen om lagere inkomens eerder pensioen op te kunnen laten bouwen. Dit moet de fiscale subsidiëring van de pensioenopbouw van hoge inkomens beperken, een doel dat ook GroenLinks en SP nastreven. De VVD is  voorstander van meer vrijwillige opbouw, maar dan in de derde pijler.

Meer keuzevrijheid in de opbouw- en uitkeringsfase

De maatschappelijke behoefte aan meer maatwerk zien we op vijf manieren terug in de verkiezingsprogramma’s:

  • D66, ChristenUnie en SGP willen het mogelijk maken om de pensioenpremie (deels) in te zetten voor aflossing van de hypotheek. Voor jonge gezinnen kan een premievakantie van maximaal vijf jaar interessant zijn, temeer omdat eigen woningbezit ook als een vorm van pensioen wordt gezien.
  • Meerdere partijen (VVD, D66 en SGP) stellen voor om een beperkt deel van het pensioen ineens opneembaar te maken, bijvoorbeeld ter overbrugging van een AOW-gat (PvdA). Ook ziet het CDA meerwaarde in de inzet van pensioen voor de eigen woning en zorguitgaven.
  • De PvdA legt het accent op een flexibele pensioenleeftijd vanaf 62 jaar en deeltijdpensioen zonder verlies aan pensioenopbouw. Een overkoepelend ‘generatiepact’ moet jongeren meer kans op een baan geven.
  • Life cycles: zowel VVD als D66 bepleiten life cycles in de opbouwfase. Dit houdt in dat jongeren meer beleggingsrisico mogen nemen omdat hun inleg langer kan renderen. Zij kunnen vrijwillig kiezen voor een risicovoller beleggingsprofiel. D66 is daarnaast voorstander van doorbeleggen na de pensioendatum. Voor iedereen komen er standaard defaults. Ook de PvdA wil dat de zekerheid stijgt naarmate de pensioenleeftijd nadert.
  • Het idee om de pensioenuitvoerder voortaan door de werknemer zelf te laten kiezen krijgt steun van VVD, D66, ChristenUnie en PvdD, in tegenstelling tot de PvdA: de partij ziet niets in meer keuzevrijheid op dit gebied. De VVD wil zelfs nog een stap verder gaan door ook de verplichte aansluiting van werkgevers bij een bedrijfstakpensioenfonds af te schaffen.

Toekomstige stelselherziening

De afgelopen jaren is veel te doen geweest over modernisering van het pensioenstelsel. De actuele discussie spitst zich inmiddels toe op twee varianten waarover zowel de SER als het huidige kabinet enthousiast zijn:

Individuele pensioenpotjes met collectieve risicodeling

Anders dan in de huidige middelloonregelingen is niet langer sprake van een toezegging, maar wordt het pensioen afhankelijk van premies en rendementen. De lage rente heeft zodoende minder effect op het pensioen. Anderzijds komen de risico’s bij de deelnemers te liggen, al blijven zij zowel het beleggings- als langlevenrisico delen.

Ambitieovereenkomst

In deze variant blijft de toezegging leidend maar met minder zekerheid. Weliswaar worden de pensioenaanspraken ook hierin volledig voorwaardelijk gemaakt, maar blijven de collectieve pensioenpotten bestaan. Tegenover meer risico voor deelnemers staat meer bewegingsruimte voor pensioenfondsen (ruimere dekkingseisen), wat sneller indexeren mogelijk zou maken.

In hun conceptprogramma’s scharen maar liefst zes partijen zich achter de eerste variant: VVD, CDA, D66, ChristenUnie, Groen Links en SGP. Daarnaast zijn zij voor afschaffing van de doorsneepremie op een generatieneutrale manier. Dit betekent in potentie dus voldoende draagvlak voor een fundamentele hervorming van de tweede pijler. Het is opvallend dat de PvdA echter niet gecharmeerd is van dit voorstel. De partij ziet meer in de ambitieovereenkomst  – een variant die het Pensioenakkoord van 2011 al sierde maar uiteindelijk niet werd ingevoerd. Omdat de werkgever in deze variant minder risico loopt, kan deze volgens de PvdA een extra herstelbijdrage betalen.

Pensioenvoorziening zelfstandigen

Momenteel bouwt zeker de helft van de zzp-ers geen pensioen op. Als belangrijkste oorzaken worden hoge kosten en onvoldoende financiële middelen genoemd. Vrijwel iedere partij schenkt dan ook aandacht aan de vraag hoe de pensioenvoorziening voor zelfstandigen kan worden verbeterd.

PvdA en CDA zijn voor een pensioenplicht: zzp-ers moeten gaan deelnemen aan een collectief pensioen tot aan de sociale premiegrens, aldus de sociaaldemocraten. VVD, D66 en de kleine christelijke partijen wijzen een verplichting daarentegen expliciet af. Zij willen het  – net als mogelijk ook Groen Links en PvdD – voor zelfstandigen mogelijk maken om zich vrijwillig aan te sluiten bij een pensioenfonds. Nieuwe zzp-ers zouden bij hun huidige uitvoerder moeten kunnen doorsparen (D66 en ChristenUnie). Het CDA kiest een andere strategie: zelfstandigenaftrek voor de belasting wordt alleen nog maar toegekend wanneer ondernemers een minimumbedrag opzij leggen voor hun eigen pensioenvoorziening. Doel hiervan is een level playing field met werknemers te creëren.

Het arbeidsongeschiktheidspensioen voor zzp-ers is ten slotte duidelijk een links thema. PvdA, Groen Links, ChristenUnie en PvdD bepleiten een collectieve basisverzekering, al dan niet met de optie om bij te verzekeren. De SP wil dat deze groep zich kan verzekeren via de WIA, onder dezelfde voorwaarden als werknemers.

Pensioen anno 2020

Wij begonnen deze bijdrage met de vraag hoe het Nederlandse pensioenstelsel er in de komende kabinetsperiode uit kan zien. Wanneer we de programmapunten vergelijken, wordt helder dat voor enkele hervormingen in potentie voldoende draagvlak aanwezig is. Dit is afhankelijk van de verkiezingsuitslag en de coalitie die tot stand zal komen. De kansrijke hervormingen zijn een flexibilisering van de AOW-leeftijd en compensatie voor inwoners met een klein pensioen. In het algemeen zijn vrijwel alle partijen het bovendien ook eens over een beperking van de invloed van Europa op Nederlandse pensioenwetgeving. Zij vinden elkaar verder in plannen om de komende jaren een deel van het pensioenkapitaal in de nationale economie te investeren en de pensioencommunicatie te verbeteren.

Toch zijn er ook duidelijke verschillen, zodat er op 15 maart 2017 echt wat te kiezen valt op pensioengebied:

  • Komt links aan de macht, dan is meer AOW en beperking van solidariteit met de hogere inkomens aannemelijk.
  • Een conservatieve coalitie van SP, PVV en 50PLUS zal gunstig kunnen uitpakken voor ouderen omdat deze partijen een hogere rekenrente in de tweede pijler toejuichen.
  • Een progressief blok van VVD en D66 met een christelijk randje (CDA, ChristenUnie) zal in staat zijn om de SER-variant van individuele pensioenrekeningen met collectieve risicodeling door het parlement te loodsen.
  • Wanneer de PvdA toch weer een goed verkiezingsresultaat boekt, lijken de kaarten evenwel ingewikkeld te komen liggen. Meest in het oog springend is immers de verwijding die zich tussen de huidige coalitiepartners begint af te tekenen: waar de VVD volop inzet op individualisering van de tweede pijler, opteert de PvdA voor een ambitieovereenkomst met eventueel behoud van de doorsneepremie – een variant die door D66 inmiddels een “volksverlakkerijpensioen” is genoemd.
  • De sociaaldemocraten stellen bovendien pensioen niet als financieel keuzeproduct te zien: meer keuzevrijheid zou niet tot een beter pensioen leiden. Ook op dit punt ontvouwt zich een principiële kloof met de VVD, die kiest voor meer keuzevrijheid en maatwerk voor werknemers en zelfs ook werkgevers.

Alles overziend tekent zich dus een ware “pensioenstrijd” af die rondom de verkiezingen en formatie ongetwijfeld tot interessante debatten zal leiden – ook met andere spelers in de polder (sociale partners, ABP, Pensioenfederatie). Zal het lukken om een compromis te vinden waar de meeste partijen mee kunnen leven? In het voorjaar van 2017 weten we meer. Een ding is op dit moment in ieder geval zeker: de contouren van het Nederlandse pensioenstelsel anno 2020 zijn nog volop in beweging.

Print deze post
Dit artikel delen: