Premie wezenpensioen nauwkeuriger te bepalen

De premie voor het wezenpensioen is het ondergeschoven kindje van de pensioenpremie. Dat is niet zo verwonderlijk. Het wezenpensioen zorgt voor slechts 1% van de totale pensioenpremie. Als we ons echter bedenken dat de totale pensioenpremie ongeveer 42 miljard bedraagt, realiseren we ons dat ook het wezenpensioen veel geld kost. Daarom is het goed om na te denken over de vraag of we de premie voor het wezenpensioen scherper kunnen vaststellen.

Wij hebben cijfers van het CBS geanalyseerd en wij trekken de conclusie dat de premie voor het wezenpensioen nauwkeuriger kan worden bepaald door deze afhankelijk te stellen van de samenstelling van het deelnemersbestand. Van groot belang zijn de leeftijd, het geslacht en het opleidingsniveau. Bij het berekenen van de premie is de kans dat een deelnemer kinderen heeft uiteraard van groot belang, en deze kans blijkt behoorlijk te verschillen:

  • Leeftijd speelt een voor de hand liggende rol. Van de 25-jarige mannen heeft minder dan 10% een kind tegen ongeveer 70% van 45-jarige mannen. Dat maakt dat de kans op wezen bij overlijden bij 45-jarige mannelijke deelnemers 7 maal zo hoog is als bij 25-jarige mannelijke deelnemers.
  • Maar opleidingsniveau speelt ook rol.
    • Van de 25-jarige mannen met een lagere opleiding heeft 13% een kind tegen 2% bij 25-jarige mannen met een hogere opleiding.
    • Bij de 45-jarige mannen is het precies andersom. 67% van de lager opgeleide mannen heeft een kind tegen 78% van de hoger opgeleide mannen.
  • Tenslotte zijn deze percentages voor vrouwen ook weer anders, waaruit blijkt dat ook het geslacht een rol speelt:
    • Van de 25-jarige vrouwen met een lagere opleiding heeft 39% een kind tegen 5% bij 25-jarige vrouwen met een hogere opleiding.
    • Bij de 45-jarige vrouwen is het verschil veel minder groot. 86% van de lager opgeleide vrouwen heeft een kind tegen 79% van de hoger opgeleide vrouwen.

Dat de karakteristieken van het deelnemersbestand relevant zijn blijkt het sterkst als we naar de uitersten kijken. Bij een bestand met jonge hoog opgeleide mannen behoeft de premie voor het wezenpensioen slechts 1/20ste van de premie te zijn die nodig is bij een bestand met jonge laag opgeleide vrouwen. Nog extremer wordt het als we een bedrijf met jonge hoog opgeleide mannen vergelijken met een bedrijf met vooral oudere lager opgeleide vrouwen: de premie voor de eerste kan 1/45ste zijn van de premie voor de tweede, nog los van de verschillen in sterftekansen.

Bij de berekening van de premie voor het partnerpensioen houden we rekening met de kans dat de deelnemer een partner heeft. We rekenen dan met de zogenaamde partnerfrequentie. Bij het wezenpensioen zou iets vergelijkbaars wenselijk zijn. Voor bedrijven met een afwijkende personeelssamenstelling qua leeftijd en/of opleidingsniveau is het interessant om hier op te letten bij het bepalen van de premie of de onderhandelingen met pensioenuitvoerders over een nieuw contract.

René den Hertog

© Montae

Print deze post
Dit artikel delen: