Op 19 november 2019 heeft minister Koolmees de Kamerbrief ‘handelingsperspectief voorkomen onnodige pensioenkortingen’ verzonden (zie ook ons actualiteitenoverzicht van week 47). In de brief wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de maatregelen waardoor pensioenfondsen die in problemen verkeren onder voorwaarden langer de tijd krijgen om te voldoen aan de huidige gestelde financiële eisen. Naar verwachting voorkomen de geschetste maatregelen voor een groot aantal pensioenfondsen kortingen in 2020. Hieronder geven wij een samenvatting en duiding van de brief.

Voorop staat dat de minister mogelijke maatregelen aangeeft. Deze moeten nog worden omgezet in regelgeving. Het is aan de pensioenfondsbesturen of zij van deze maatregelen gebruik willen maken. Koolmees biedt mogelijkheden voor het voorkomen van twee verschillende kortingssituaties.

  • Ten eerste kunnen pensioenfondsen met een korting te maken krijgen doordat zij op zes meetmomenten een beleidsdekkingsgraad hebben, die lager is dan de minimaal vereiste dekkingsgraad (veelal circa 104,3%).Pensioenfondsen krijgen een extra meetmoment om te kunnen voldoen aan het minimaal vereist eigen vermogen (MVEV), mits de actuele dekkingsgraad op 31 december van dit jaar 90% of hoger is. Bij de stand van de dekkingsgraden eind oktober zou dit betekenen dat er nog maar vier fondsen moeten korten. Zij hebben in totaal ongeveer 600.000 deelnemers. Zonder de maatregel zou de korting dertig pensioenfondsen hebben getroffen met in totaal 9,8 miljoen deelnemers. Concreet verleent de minister vrijstelling van het zesde meetmoment.
  • Ten tweede is een korting mogelijk als pensioenfondsen onder de kritische grens van hun dekkingsgraad zakken en hierdoor niet meer kunnen herstellen tot het niveau van het vereist eigen vermogen (VEV) binnen de termijn van hun herstelplan. Koolmees verlengt de hersteltermijn voor het bereiken van het vereist eigen vermogen van tien naar twaalf jaar. Hierbij geldt tevens het vereiste van een ondergrens van de actuele dekkingsgraad van 90% of hoger eind 2019.

Heeft een pensioenfonds een dekkingsgraad lager dan 90%, dan is een beroep op de maatregelen onder voorwaarden mogelijk. Deze voorwaarde is dat een pensioenfonds een onvoorwaardelijke korting doorvoert totdat de dekkingsgraad minimaal 90% is. Deze korting mag worden gespreid conform de geldende regels hiervoor.

Koolmees verantwoordt zijn besluit door te wijzen op de uitzonderlijk economische situatie waarin veel pensioenfondsen verkeren. Artikel 142 van de Pensioenwet en artikel 137 van de Wet Verplichte Beroepspensioenregeling geeft de bevoegdheid in zo’n situatie de hersteltermijn van pensioenfondsen te verlengen om te voldoen aan het MVEV- en VEV-vereiste. Volgens Koolmees zijn de negatieve rentes voor lange looptijden als bijzondere omstandigheid te kwalificeren. Hierbij zijn de sterk gedaalde dekkingsgraden en de ontwikkelingen rondom een nieuw pensioenstelsel voldoende om een beroep te kunnen doen op het verlengen van de hersteltermijn. Koolmees hoopt in de zomer van 2020 het nieuwe pensioenstelsel te presenteren.

Naast mogelijke maatregelen om kortingen te voorkomen besteedt de minister nog aandacht aan de premie en opbouw voor 2020. Ook hierbij spelen de huidige marktomstandigheden een rol. Dit kan leiden tot premieverhogingen en/of opbouwverlagingen en is onderwerp van gesprek op meerdere cao-tafels. De minister is zich bewust van de wens van sociale partners om de premie en de opbouw in 2020 stabiel te houden. Maar hij stelt hiervoor geen aparte maatregel in. Wel verwijst hij naar de mogelijkheden binnen het huidige wettelijke kader.

Dit ziet ten eerste op de mogelijkheid om bij de premie voor 2020 als pensioenfonds uit te gaan van de huidige parameters. Dit in plaats van de nieuwe parameters te hanteren, die gelden op basis van het advies van de commissie Parameters.

Daarnaast wijst hij erop dat sociale partners een stabiele premie kunnen afspreken mits dit evenwichtig is. Het pensioenfondsbestuur besluit vervolgens of zij deze premieafspraak uitvoerbaar acht en richt zich daarbij ook op de evenwichtige belangenafweging.

Concrete duiding hiervan is volgens ons dat sociale partners kunnen besluiten de premie ongewijzigd te laten. Gevolg hiervan kan zijn dat de premiedekkingsgraad in 2020 lager is dan 100%. Het is aan het bestuur dit te accepteren. Dit heeft wel een effect op de financiële positie van het pensioenfonds en kan gevolgen hebben voor een mogelijke korting in 2021.

Overigens biedt dit niet aan alle pensioenfondsen een oplossing. Pensioenfondsen die de methodiek gebruiken van een gedempte kostendekkende premie o.b.v. verwacht rendement en die aan het einde van hun vijfjaarsperiode zitten, moeten de premie baseren op nieuwe maximaal toegestane te verwachten rendementen. Vanwege de marktontwikkelingen leidt dit tot een lager te verwachten totaalrendement en dus een hogere kostendekkende premie. Dit staat los van het effect van de parameters. Deze premieverhoging treedt ook op bij het gebruik van de huidige parameters.

De brief is besproken in het Algemeen Overleg van de Tweede Kamer op 21 november 2019. Hiervan is nog geen verslag beschikbaar.

Vanuit de grote pensioenfondsen en vakbonden is positief gereageerd op de maatregel. DNB heeft eerder aangegeven geen voorstander te zijn van het uitstellen van kortingen, dit vanwege de niet-beoogde herverdeling tussen deelnemers en de belasting van het nieuwe pensioenstelsel met verliezen uit het verleden. DNB geeft aan wel begrip te hebben voor het besluit van de minister.

De Pensioenfederatie vindt het een verstandig besluit, maar geeft aan dat de zorgen voor de middellange termijn onverminderd groot zijn. Dit vooral ten aanzien van de ontwikkeling van de premies en opbouw. De belangenorganisatie onderstreept het belang van het doorpakken in de komende periode om snel zicht krijgen op integrale oplossingen.

Bron: Rijksoverheid / Pensioenfederatie / PensioenPro

Print deze post
Dit artikel delen: