Dekkingsgraden bewegen en zijn bij een overgang van het ene pensioenfonds naar het andere pensioenfonds iets wat continu in de gaten wordt gehouden. Veel deelnemers zullen als eerste reactie blij zijn als ze over kunnen stappen naar een rijker pensioenfonds. Maar het is lastig aan deelnemers uit te leggen dat het goed is om de aanspraken over te dragen aan het rijkere fonds, maar dat hiervoor wel eerst een verlaging van de aanspraken nodig is. In dit artikel gaan we in op twee andere oplossingen die een korting bij het armere fonds kunnen voorkomen.

Veel pensioenfondsbesturen overwegen de opgebouwde pensioenaanspraken over te dragen naar een ander pensioenfonds, zijnde een bedrijfstakpensioenfonds (BPF) of een gezamenlijke kring van een algemeen pensioenfonds (APF). Soms leidt de zoektocht naar een nieuwe pensioenuitvoerder naar een pensioenfonds dat, gemeten naar de dekkingsgraad, rijker is. De collectieve waardeoverdracht van alle aanspraken naar deze nieuwe pensioenuitvoerder is lastig omdat er te weinig geld is. Een voor de hand liggende oplossing is dan natuurlijk: laat het rijke fonds “intrekken” bij het arme fonds. Er is dan aan de kant van het rijke fonds geld over en daarmee zou een laatste indexatie kunnen worden gegeven vlak voor het samengaan van de fondsen. Helaas is zo’n “reverse takeover” niet altijd mogelijk. Het zou immers raar zijn dat een rijker BPF intrekt bij een armer ondernemingspensioenfonds dat wil liquideren. Maar ook een rijker groot BPF mag niet, zo zien we in de praktijk, intrekken bij een armer kleiner BPF. Het grootste fonds dient dan de ontvangende partij te zijn.

Als een “reverse takeover” niet mogelijk is, is de volgende voor de hand liggende oplossing het korten van de aanspraken van het arme fonds waardoor de dekkingsgraden naar elkaar toe bewegen. Voor deelnemers is dit echter minder voor de hand liggend. Het is lastig aan deelnemers uit te leggen dat het goed is om de aanspraken over te dragen aan het rijkere fonds maar dat hiervoor wel eerst een verlaging van de aanspraken nodig is.

Indexatie bij rijke fonds

Als het verschil in dekkingsgraad zeer beperkt is – bijvoorbeeld minder dan 1%-punt – ligt het voor de hand om de aanspraken van het rijkste fonds vlak voor de fusie te verhogen door middel van een zogenaamde fusie-indexatie. Voor zo’n fusie-indexatie gelden de eisen met betrekking tot toekomstbestendigheid niet. De hoogte van het indexatiepercentage wordt zodanig gekozen dat na deze indexatie het verschil in dekkingsgraad nihil is. Bij een verschil van minder dan 1%-punt is een fusie-indexatie zeer wel denkbaar maar tegelijkertijd zijn er wel enkele aandachtspunten:

  • Een fusie-indexatie dient te passen bij de concrete situatie. Bij het samengaan van twee “gelijkwaardige” fondsen, bijvoorbeeld twee bedrijfstakpensioenfondsen, is het uitlegbaar. Dit is niet het geval wanneer een relatief klein ondernemingspensioenfonds liquideert en zijn aanspraken onderbrengt bij een groot bedrijfstakpensioenfonds. Deze fusie-indexatie is in principe ook mogelijk als fondsen gelijkwaardig zijn maar een “reverse takeover” niet haalbaar is. Op zich vreemd, want uiteindelijk komt het op hetzelfde neer.
  • Als de dekkingsgraad van het rijke fonds onder het minimaal vereist eigen vermogenniveau ligt is een fusie-indexatie waarschijnlijk niet mogelijk.
  • DNB zal altijd moeten beoordelen of een fusie-indexatie past binnen het wettelijk kader rekening houdend met alle aspecten van de concrete casus. Afstemming met de toezichthouder is daarom van groot belang.
  • Na de fusie-indexatie daalt de dekkingsgraad van het rijke fonds naar de dekkingsgraad van het arme fonds. Een lagere dekkingsgraad zorgt voor een stijging van de kans op korten. Het bestuur van het rijke fonds dient goed te beoordelen of dit acceptabel en uitlegbaar is.

Indexatie-depot

Als het verschil in dekkingsgraad groter dan 1%-punt is kan het verschil beter niet worden weggewerkt met een fusie-indexatie. Zo’n significante indexatie louter en alleen omdat twee fondsen fuseren is al snel minder duurzaam en evenwichtig, zeker bij lage dekkingsgraden. In dat geval kan het verschil beter in een indexatiedepot worden gestopt. Een indexatie-depot is in principe ook mogelijk als een “reverse takeover” niet haalbaar is. De aanspraken van het rijkste fonds kunnen hieruit in de toekomst – geleidelijk en rekening houdend met de financiële positie van het fusiefonds – extra worden geïndexeerd. Ook bij deze oplossing geldt dat het moet gaan om het samengaan van gelijkwaardige fondsen en dat DNB toestemming dient te geven.

In het “Besluit van 13 oktober 2016 tot wijziging van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen in verband met toeslagendepots” wordt een aantal “spelregels” voor het indexatiedepot afgesproken. Belangrijk is vooral dat er met de middelen uit het indexatiedepot ook mag worden geïndexeerd als het nieuwe fonds (de samensmelting van het arme en het rijke fonds) door een lage dekkingsgraad niet slechts in beperkte mate mag indexeren.

Nadeel van een indexatiedepot is dat het ingezet moet worden als een korting van aanspraken dreigt in verband met een te lage dekkingsgraad. Met gedifferentieerd korten kan het bestuur van het nieuwe fonds proberen te voorkomen dat de aanspraakgerechtigden van het oude arme fonds meeprofiteren van het indexatiedepot. We lichten dit toe aan de hand van een voorbeeld.

Fonds A

Op de fusiedatum is de VPV 100 en heeft het fonds 100 aan beleggingen. De dekkingsgraad is daardoor 100%.

Fonds B

Op de fusiedatum is de VPV 400 en heeft het fonds 404 aan beleggingen. De dekkingsgraad is daardoor 101%.

Fusiefonds AB

Na de fusie is de VPV 500, is er een apart indexatiedepot van 4 en is er 504 aan beleggingen. Omdat de beleggingen voor het indexatiedepot niet meetellen voor de dekkingsgraad, is de dekkingsgraad van het fusiefonds 100%.

Nu dreigt er een korting van 0,5% bij het nieuwe fonds. Deze korting kan nu voor iedereen worden voorkomen omdat het depot (0,8% van de VPV) groter is dan de dreigende korting van 0,5%. Het depot wordt eerst ingezet om de korting van de Fonds B gerechtigden te voorkomen (dat kost 2=0,5% van 400), maar daarna is er nog 2 over om de korting van 0,5% over 100 te voorkomen. Op zich heel “solidair”, maar het was natuurlijk niet de bedoeling van de Fonds B gerechtigden dat hun “overwaarde” ten goede zou komen aan de Fonds A gerechtigden. Deze onbedoelde situatie doet zich vooral voor als het grootste fonds ook het rijkste is.

Tot slot, bittere pil

Bij het samengaan van twee fondsen met een verschillende dekkingsgraad moet eigenlijk altijd een van de twee fondsen de “bittere pil slikken”. Of het arme fonds door het korten van aanspraken. Of het rijke fonds door het iets verhogen van de aanspraken en daardoor later mogelijk (meer) moeten korten dan wel het inrichten van een indexatiedepot dat later onbedoeld ten goede komt aan deelnemers behorende bij het andere fonds. Het meest logisch is dat het fonds dat het meeste voordeel heeft van het samengaan de nadelen zal moeten ondervinden. Helaas is niet altijd even duidelijk of er wel voordelen zijn en welke partij hiervan het meeste profiteert. Daarom is het samengaan van fondsen in de praktijk een complex proces.

Eerder hebben we op onze website een artikel gepubliceerd over het omgekeerde, namelijk een waardeoverdracht naar een armer pensioenfonds. Klik hier om dit artikel te lezen.

December 2017
René den Hertog AAG

Heeft u vragen over dit artikel? Neem contact op met René den Hertog via rene.den.hertog@montae.nl of 06 203 747 24

Print deze post
Dit artikel delen: